De Hollandse Oorlog (1672-1679) en zijn weerslag op de landbouwopbrengsten in Neerlanden
Gepubliceerd door Georges Wemans in Neerlanden - Landen · maandag 24 nov 2025 · 4:30
Verantwoording
De bestudeerde bron is een ambtelijke schepenakte, opgemaakt op 24 april 1679 door de gezworen secretaris Dewale van de schepenbank van de heerlijkheid Neerlanden, in het kwartier van Tienen (1). De akte werd ondertekend door meier Huybrecht Dunion en de schepenen Goordt Libens en Willem Beirghens. Zij is opgesteld in het 17de-eeuwse Brabants ambtelijke Nederlands, en vertoont alle kenmerken van een formele gerechtelijke verklaring (attestatie), zoals beschreven voor dorpsbesturen en schepenbanken in Brabant. Omdat de akte expliciet is opgesteld op verzoek van pachter Aerdt Jadouls ten gunste van diens klacht tegenover de abdij van Park (de heer), heeft zij een duidelijk functioneel en partijdig karakter: het is een bewijsdocument, geen neutrale kroniek. Toch blijft de bron relatief betrouwbaar, gezien de officiële status van de schepenbank en het feit dat schadeverklaringen typisch gecontroleerd werden via visitaties en lokale kennis.
Inhoudelijk beschrijft de akte de opeenvolgende schade die Jadouls tussen 1673 en 1675 en in de daaropvolgende jaren opliep. In 1673 werden zijn graanvelden (17 à 18 bunder) vrijwel volledig vertrapt door doortrekkende Franse troepen van Lodewijk XIV, op weg naar het beleg van Maastricht – gebeurtenissen die passen binnen de militaire campagnes van de Hollandse Oorlog (1672–1678/79). In 1674 liep Jadouls nieuwe verliezen op door de fouragering van de Staatse troepen van Willem III van Oranje, die in Lijssem (Lincent) gelegerd waren in de aanloop naar de veldtocht die o.a. zou leiden tot de Slag bij Seneffe. Het jaar 1675 werd gekenmerkt door misoogst, oorlogsomstandigheden en hagelschade, typische fenomenen voor het kwetsbare agrarische ecosysteem van de Zuidelijke Nederlanden in oorlogstijd (2). Later werd de oogst bovendien verder geteisterd door vogelvraat, wormenschade en muizenplagen.
Deze schepenakte past daarmee in het bredere corpus van micro-regionale oorlogsschaderegistraties tijdens de Hollandse Oorlog, waarin lokale schepenbanken fungeerden als certificerende instellingen binnen het rurale rechtsleven van het hertogdom Brabant. De verklaring bevestigt zowel de materiële gevolgen van militaire doortochten voor landbouwers als de rol van de schepenbank als bemiddelende en juridisch legitimerende autoriteit in de relatie tussen pachters en grote geestelijke heren, zoals de abdij van Park.
(1) BE Ral (518-119). Griffies en gemeenten Brabant. Neerlanden. Archief van de schepenbank van Neerlanden 1613-1796. II Gemeente nr. 7. Stukken met betrekking tot de geschiedenis en bestuur; opmetingen van gronden, processen, militaire opeisingen (1652-1796). De folio's in de map zijn niet genummerd.
(2) E. Vanderlinden, Chronique des événements météorologiques en Belgique jusqu'en 1834, Tome VI, fascicule 1, (Bruxelles: Académie Royale de Belgique, 1924), 163.
BRON TRANSCRIPTIE

[f. r]
Wij m[ijnehee]r Huybrecht Dunion Meijer des dorps
[ende] heerlijcheit van Neerlanden quartier van Thienen,
Goordt Libens, Willem Beirghens en[de] Dewale,
respective schepenen des selves heerlijcheijt Neerlanden,
rectificerende midts desen ten ernstighen versueche
van Aerdt Jadouls pachter aldaer, datten voor[seiden]
Jadouls in den jaere [16]73, als wanneer die
trouppen van sijne Majestijt van Vranckenrijck
waeren marcherende naer Maestricht, grootelijcx is
beschadicht geweest in al sulcke somer en[de] herte vruch-
ten als in den voorndenden jaere in wasdom
waeren staende op seventhien à achthien bonderen
landts competerende aen die abdije van Perck
bij Loven, geleghen sijnde die voor[seiden] plecke landts
onder die limiten des dorps en[de] heerlijcheijt voors[eiden];
gemerckt die selve granen deur die vermelde trouppen
in het marcherende remarcherende ganschelijcken sijn
onder die voeten getreden geweest, tot daerentoe
datten voor[seiden] Jadouls van die selve goederen weijni-
ghe profijten en heeft gehadt; verclarende voordens
datten voornoemden Jadouls in den jaere [16]74, als
wanneer die armade vanden prince van oranien
was gecampeert tot Lijssem en[de] daerontrent, ten minsten
en heeft geprofiteert soo van de gevihorreerde granen
als die ghene op den velde alnoch waren staende
en[de] liggende; gemerckt die selve granen deur die
fouragierens van voors[eiden] volcken geheelck sijn wech
gehaelt en[de] vuijtgedorssen; verclaren tot dijen datten
voor[seiden] Jadouls in den jaere [16]75 luttel oft wijnighe
provffijten heeft gehadt van die granen gestaen
hebben op die vermelde plecke landts, midts die
harde granen sijn miswassen geweest,
ter wijlen het selven landt deur dese troubble tijden
en[de] continueen orloghe ten behoevelijcke s[a]saene en
heeft connen gesaeijt offte gecultiveert worden; en[de]
die somer vruchten van voor[seiden] jaere grootelijcken
deur eenen vehementen haghelslach sijn verslaghen
geweest, alles naer luijdt der wettighe visitatie daer
van sijnde; verclaren ten lesten datten v[oorseiden]
[ende] heerlijcheit van Neerlanden quartier van Thienen,
Goordt Libens, Willem Beirghens en[de] Dewale,
respective schepenen des selves heerlijcheijt Neerlanden,
rectificerende midts desen ten ernstighen versueche
van Aerdt Jadouls pachter aldaer, datten voor[seiden]
Jadouls in den jaere [16]73, als wanneer die
trouppen van sijne Majestijt van Vranckenrijck
waeren marcherende naer Maestricht, grootelijcx is
beschadicht geweest in al sulcke somer en[de] herte vruch-
ten als in den voorndenden jaere in wasdom
waeren staende op seventhien à achthien bonderen
landts competerende aen die abdije van Perck
bij Loven, geleghen sijnde die voor[seiden] plecke landts
onder die limiten des dorps en[de] heerlijcheijt voors[eiden];
gemerckt die selve granen deur die vermelde trouppen
in het marcherende remarcherende ganschelijcken sijn
onder die voeten getreden geweest, tot daerentoe
datten voor[seiden] Jadouls van die selve goederen weijni-
ghe profijten en heeft gehadt; verclarende voordens
datten voornoemden Jadouls in den jaere [16]74, als
wanneer die armade vanden prince van oranien
was gecampeert tot Lijssem en[de] daerontrent, ten minsten
en heeft geprofiteert soo van de gevihorreerde granen
als die ghene op den velde alnoch waren staende
en[de] liggende; gemerckt die selve granen deur die
fouragierens van voors[eiden] volcken geheelck sijn wech
gehaelt en[de] vuijtgedorssen; verclaren tot dijen datten
voor[seiden] Jadouls in den jaere [16]75 luttel oft wijnighe
provffijten heeft gehadt van die granen gestaen
hebben op die vermelde plecke landts, midts die
harde granen sijn miswassen geweest,
ter wijlen het selven landt deur dese troubble tijden
en[de] continueen orloghe ten behoevelijcke s[a]saene en
heeft connen gesaeijt offte gecultiveert worden; en[de]
die somer vruchten van voor[seiden] jaere grootelijcken
deur eenen vehementen haghelslach sijn verslaghen
geweest, alles naer luijdt der wettighe visitatie daer
van sijnde; verclaren ten lesten datten v[oorseiden]
[f. v]
Jadouls voor die resterende jaeren oock luttel heeft
geproffeteert van die granen gestaen hebbende op die
vermelde plecke landts, ter whijlen die selve vruchten
deur desen orlogene sijn gefourageert geworden, misch-
wasschen, verslaghen deur twee overvloedighe
haghelslaghen, verhaenincx daut, vuijtgeten van die
wormen en[de] afgebeten van die muijsen; soo dat den
voor[seiden] Jadouls om redenen vorens verhaelt
grootelijcken is geintresseert; en[de] want redelijck en[de]
goddellijck is der waerhijt getuijgenisse tegenen
princepalijck des versocht sijnde, soo hebben wij meijer
en[de] schepenen dese onse declaratie, deur onsen
gesworen se[creta]ris, daer en[de] laeten aenteeckenen op den
vierentwintichsten aprilis 1679.
Attenhov[en]
(handt.] Dewale, secretaris.
geproffeteert van die granen gestaen hebbende op die
vermelde plecke landts, ter whijlen die selve vruchten
deur desen orlogene sijn gefourageert geworden, misch-
wasschen, verslaghen deur twee overvloedighe
haghelslaghen, verhaenincx daut, vuijtgeten van die
wormen en[de] afgebeten van die muijsen; soo dat den
voor[seiden] Jadouls om redenen vorens verhaelt
grootelijcken is geintresseert; en[de] want redelijck en[de]
goddellijck is der waerhijt getuijgenisse tegenen
princepalijck des versocht sijnde, soo hebben wij meijer
en[de] schepenen dese onse declaratie, deur onsen
gesworen se[creta]ris, daer en[de] laeten aenteeckenen op den
vierentwintichsten aprilis 1679.
Attenhov[en]
(handt.] Dewale, secretaris.